De pseudo-eindheffing voor werkgevers geldt voor auto’s die aan werknemers ter beschikking worden gesteld en waarvan de cataloguswaarde hoger is dan de geldende grens voor de bijtelling. Concreet: als een werknemer een auto met een hoge cataloguswaarde privé gebruikt en de bijtelling bedraagt meer dan een bepaald drempelbedrag, is de werkgever over het meerdere een extra belasting verschuldigd. Dit geldt voor vrijwel alle personenauto’s en bestelauto’s die zakelijk worden geleast en ook voor privégebruik beschikbaar zijn. In dit artikel beantwoorden we de meest gestelde vragen over welke auto’s onder de pseudo-eindheffing vallen, hoe de berekening werkt en wat je als werkgever kunt doen om onnodige kosten te vermijden.
Wanneer is een auto onderhevig aan pseudo-eindheffing?
Een auto is onderhevig aan de pseudo-eindheffing wanneer de werkgever een voertuig ter beschikking stelt aan een werknemer, de werknemer dit voertuig ook privé gebruikt, en de bijtelling die de werknemer geniet boven een bepaalde grens uitkomt. De pseudo-eindheffing is een werkgeversheffing bovenop de reguliere loonbelasting en bedraagt in 2026 16% over het voordeel dat boven de drempelwaarde uitstijgt.
De regeling is in het leven geroepen om te voorkomen dat werkgevers onbeperkt dure auto’s aan werknemers verstrekken zonder dat daar een extra fiscale last tegenover staat. De bijtelling wordt bij het loon van de werknemer geteld en belast via de loonbelasting. Maar de pseudo-eindheffing treft de werkgever zelf, ongeacht of de werknemer al belasting heeft betaald over de bijtelling.
De drempelwaarde voor de pseudo-eindheffing is gekoppeld aan de cataloguswaarde van de auto. In de praktijk geldt de heffing zodra de cataloguswaarde van het voertuig boven een bepaald bedrag uitkomt. Voor 2026 ligt die grens bij een cataloguswaarde van meer dan €30.000. Auto’s met een lagere cataloguswaarde vallen buiten de pseudo-eindheffing, ook als de werknemer de auto privé gebruikt.
Welke voertuigcategorieën vallen buiten de pseudo-eindheffing?
Niet alle voertuigen die een werkgever ter beschikking stelt, vallen onder de pseudo-eindheffing. Voertuigen met een cataloguswaarde tot en met de geldende drempel, bestelauto’s die uitsluitend zakelijk worden gebruikt, en bepaalde categorieën vrijgestelde voertuigen zijn in beginsel uitgezonderd van de heffing.
De belangrijkste categorieën die buiten de pseudo-eindheffing vallen, zijn:
- Auto’s met een cataloguswaarde onder de drempelwaarde: Goedkopere voertuigen worden niet geraakt door de extra werkgeversheffing.
- Bestelauto’s met een verbod op privégebruik: Als de werkgever een sluitende rittenadministratie bijhoudt of een schriftelijk verbod op privégebruik heeft vastgelegd, geldt er geen bijtelling en daarmee ook geen pseudo-eindheffing.
- Voertuigen die niet voor privégebruik beschikbaar zijn: Denk aan poolauto’s die uitsluitend op het bedrijfsterrein worden gebruikt of voertuigen waarbij de werknemer aantoonbaar minder dan 500 privékilometers per jaar rijdt en een sluitende rittenadministratie bijhoudt.
- Motorrijwielen en andere bijzondere voertuigen: Deze vallen doorgaans buiten de reguliere bijtellingssystematiek en daarmee ook buiten de pseudo-eindheffing.
Het is als werkgever dus de moeite waard om goed in kaart te brengen welke voertuigen in het wagenpark werkelijk privé worden gebruikt en welke dat niet zijn. Dat kan een aanzienlijk verschil maken in de uiteindelijke belastingdruk.
Hoe wordt de grondslag voor de pseudo-eindheffing berekend?
De grondslag voor de pseudo-eindheffing is het deel van de bijtelling dat boven de drempelwaarde uitkomt. Concreet: de werkgever berekent de totale bijtelling op jaarbasis, trekt daar de drempelwaarde van af, en betaalt over het resterende bedrag 16% pseudo-eindheffing.
Stel dat een werknemer een auto rijdt met een cataloguswaarde van €55.000 en een bijtellingpercentage van 22%. De jaarlijkse bijtelling bedraagt dan €12.100. De drempelwaarde voor de pseudo-eindheffing is in 2026 vastgesteld op €30.000 cataloguswaarde, wat neerkomt op een bijtelling van €6.600 (22% van €30.000). Het verschil tussen €12.100 en €6.600 is €5.500. Over dit bedrag betaalt de werkgever 16% pseudo-eindheffing, dus €880 per jaar per werknemer met deze auto.
Belangrijke aandachtspunten bij de berekening:
- De cataloguswaarde is de nieuwprijs inclusief btw en bpm, zoals die geldt op het moment van eerste toelating van de auto.
- Het bijtellingpercentage is afhankelijk van het type aandrijving: volledig elektrische auto’s kennen een lager percentage dan benzine- of dieselauto’s.
- Als de auto slechts een deel van het jaar ter beschikking staat, wordt de grondslag tijdsevenredig berekend.
- De pseudo-eindheffing wordt aangegeven via de loonaangifte en is niet aftrekbaar als loonkosten voor de vennootschapsbelasting.
Wat is het verschil tussen bijtelling en pseudo-eindheffing?
De bijtelling is een bedrag dat bij het belastbaar loon van de werknemer wordt opgeteld omdat hij of zij privévoordeel geniet van de ter beschikking gestelde auto. De pseudo-eindheffing is een aparte heffing die de werkgever verschuldigd is bovenop de reguliere loonbelasting, en staat los van wat de werknemer zelf betaalt.
Het onderscheid is in de praktijk wezenlijk:
- Wie betaalt wat: De bijtelling verhoogt het belastbaar inkomen van de werknemer en leidt tot hogere loonbelasting voor de werknemer. De pseudo-eindheffing is een extra last voor de werkgever zelf.
- Berekeningsbasis: De bijtelling is een percentage van de cataloguswaarde van de auto. De pseudo-eindheffing is een percentage over het deel van de bijtelling dat boven de drempelwaarde uitkomt.
- Doel: De bijtelling corrigeert het privévoordeel van de werknemer. De pseudo-eindheffing ontmoedigt werkgevers om excessief dure auto’s te verstrekken als arbeidsvoorwaarde.
In de praktijk betekent dit dat een werkgever bij een dure leaseauto dubbel wordt geraakt: enerzijds via de hogere leasetermijnen, anderzijds via de pseudo-eindheffing. De werknemer merkt hier niets extra van, tenzij de werkgever de kosten contractueel doorberekent.
Voor werkgevers die overwegen een operationele leaseauto aan te bieden, is het verstandig om de totale fiscale last vooraf goed door te rekenen, inclusief de potentiële pseudo-eindheffing.
Welke gevolgen heeft de pseudo-eindheffing voor de leaserijder?
Voor de leaserijder zelf heeft de pseudo-eindheffing in principe geen direct fiscaal gevolg. De heffing rust volledig op de werkgever en wordt niet verrekend met het loon of de bijtelling van de werknemer. De leaserijder blijft gewoon belasting betalen over de bijtelling via de reguliere loonheffing.
Toch kan de pseudo-eindheffing indirect wel degelijk invloed hebben op de leaserijder:
- Beperkter autoaanbod: Werkgevers die de extra kosten willen vermijden, stellen een lagere cataloguswaardegrens in voor het wagenpark. Werknemers kunnen dan minder kiezen uit duurdere modellen.
- Bijdrage eigen risico: Sommige werkgevers verrekenen de pseudo-eindheffing indirect via een lagere nettoloonafspraak of een eigen bijdrage van de werknemer voor de auto.
- Aanpassing leasebeleid: Bedrijven herzien hun leasebeleid als de pseudo-eindheffing te hoog oploopt, wat betekent dat leaserijders mogelijk worden gestimuleerd om voor een goedkoper model te kiezen.
Als leaserijder is het dus slim om te begrijpen hoe het leasebeleid van je werkgever is opgebouwd en of er een relatie bestaat tussen de cataloguswaarde van jouw auto en eventuele eigen bijdragen. Transparantie hierover is iets dat wij bij Leaselabel als vanzelfsprekend beschouwen in onze adviezen aan werkgevers.
Hoe vermijden werkgevers onnodig hoge pseudo-eindheffing?
Werkgevers kunnen de pseudo-eindheffing beperken door bewuste keuzes te maken in het wagenpark: kies voor auto’s met een cataloguswaarde onder de drempelwaarde, maak gebruik van vrijstellingen voor zakelijk gebruik, en richt het leasebeleid zo in dat de bijtellinggrondslag zo laag mogelijk blijft.
Concrete maatregelen die werkgevers kunnen nemen:
- Stel een cataloguswaardelimiet in: Begrens de maximale cataloguswaarde van leaseauto’s in het wagenpark tot onder de drempelwaarde voor de pseudo-eindheffing. Dit is de meest directe manier om de heffing te vermijden.
- Kies voor elektrische auto’s met lage bijtelling: Volledig elektrische voertuigen kennen een lager bijtellingpercentage. Dat verlaagt de grondslag voor de pseudo-eindheffing, zelfs bij een hogere cataloguswaarde.
- Leg privégebruiksverboden vast: Voor bestelauto’s en poolvoertuigen kan een schriftelijk verbod op privégebruik de bijtelling en daarmee de pseudo-eindheffing volledig elimineren.
- Gebruik een sluitende rittenadministratie: Als een werknemer kan aantonen minder dan 500 privékilometers per jaar te rijden, vervalt de bijtelling en daarmee ook de pseudo-eindheffing.
- Herzie het leasebeleid periodiek: Fiscale regels veranderen. Een jaarlijkse toets van het wagenpark aan de actuele drempelwaarden en bijtellingpercentages voorkomt onverwachte kosten.
Wil je als werkgever een goed overzicht van wat haalbaar is binnen jouw budget en fiscale kaders? Via onze lease calculator krijg je snel inzicht in de maandelijkse kosten per voertuig. En voor maatwerkadvies over zakelijk leasen voor het mkb staan wij graag voor je klaar. Wij geloven dat goed leasebeleid begint bij duidelijkheid, en dat betekent ook: geen verrassingen achteraf als de pseudo-eindheffing hoger uitvalt dan verwacht.





